Gij doorgrondt en kent mij

Psalm 139 - Gij doorgrondt en kent mij
Waarschijnlijk kent u Psalm 139 wel.
De Psalm die begint met deze bekende verzen (1-6):

1 Gij doorgrondt en kent mij.
2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! Gij weet het alles.
5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
6 De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

Deze woorden worden veelal in liederen en gedichten gebruikt om de verbondenheid met onze Heer aan te geven en om aan te geven dat we altijd bij de Heer terecht kunnen, omdat Hij ons dóór en dóór kent.
Nu geloof ik ook zeker dat de Heer ons kent, dat Hij weet wat er in ons leeft. Hij weet hoe we in het leven staan, wat we denken en willen, want hij kan rechtstreeks in ons hart kijken. De Heer ziet door onze buitenkant heen en dringt door tot diep in ons hart. Hij ziet of wij Hem ook liefhebben met geheel ons hart, geheel onze ziel en geheel ons verstand. God ziet namelijk het hart aan, in tegenstelling tot de mens, die alleen de buitenkant ziet.

Het laatste deel van de Psalm
Heeft u de Psalm wel eens in het geheel gelezen? Als u dat gedaan heeft dan heeft u deze woorden vast ook gelezen:

19 O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
20 Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
21 Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
24 En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.

Hier zegt de Psalmist dat hij volkomen haat degenen die tegen God opstaan, namelijk tegen degenen die het Woord van God tegenspreken. De Psalmist kreeg blijkbaar in zijn leven te maken met bepaalde mensen die schandelijk over God spraken. Hij gaat zelfs zo ver dat hij bidt dat God de goddeloze ten dood brengt (vs.19).

Wie is de Psalmist?
Weet u wat ik mij afvraag als ik dit lees? Wie is deze Psalmist eigenlijk, die in een hele nauwe relatie met God staat en daardoor een volkomen haat heeft tegen de ongelovigen? Ja, dat is David zult u zeggen, dat staat in vers 1. Maar weet u wel dat de woorden van David in de Psalmen van toepassing zijn op de Here Jezus? Dat staat namelijk in Handelingen 2 bij de toepspraak van Petrus op de Pinksterdag.

Hand 2:
25 Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.
28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.

29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
33 Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,
35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.

36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.

Petrus haalt hier zelfs 2 Psalmen aan, namelijk Ps. 16 en 110. Hij zegt daarvan dat David gesproken heeft over de vrucht zijner lenden, namelijk over de Messias/Christus, de Zone Davids.

David de profeet
Wat we hier dus leren is dat David een profeet was (vers 30), wat dus inhoudt dat de Psalmen niet zozeer poëtisch zijn, maar profetisch!!! Het spreekt namelijk over de Messias, over zijn lijden, sterven en opstanding.
U kent toch de bekende woorden die de Here Jezus sprak aan het kruis:

Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?

Wist u wel dat deze woorden geciteerd zijn uit Psalm 22? Heeft u Psalm 22 wel eens gelezen? Als u dat doet dan zult u zien hoezeer deze woorden van toepassing zijn op de Here Jezus.
Zo kan ik nog wel een aantal voorbeelden geven uit de Psalmen waaruit overduidelijk blijkt dat het over de Here Jezus gaat, wat dacht u van Psalm 69:22

Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

U weet toch dat men de Here Jezus edik met gal gegeven heeft aan het kruis (Mat.27:34)
Of wat denkt u van Psalm 1:

Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters. Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.

Dat moet dan toch ook duidelijk zijn dat deze man de Here Jezus is.
Wat je namelijk in de Psalmen vind is niet zozeer wat de Here Jezus doet, dat vind je juist in de 4 Evangeliën, maar in de Psalmen vind je wat de Here Jezus er bij dacht en hoe Hij zich voelde. Zo ook in Psalm 139.

Psalm 139
U moet goed begrijpen dat het leven van de Here Jezus niet makkelijk is geweest, dan bedoel ik niet alleen zijn lijden en sterven, maar ook de jaren daarvoor.

Hebr. 5:7
Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen geofferd heeft tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen, en verhoord zijnde uit de vreze.

De Here Jezus heeft de loopbaan gelopen die Hem voorgesteld was. Hij heeft geleerd om te geloven in het Woord van God en Zijn keuzes te maken op grond van het Woord van God. Hij was geen voorgeprogrammeerd mens, maar een mens van vlees en bloed, inclusief alle gevoelens en emoties die los komen in bepaalde situaties.
U weet dat de Here Jezus aan de ene kant altijd vriendelijk en genadig was voor hoeren, tollenaars, vissers en boeren. Maar aan de andere kant waarschuwde Hij altijd voor de farizeeën en wetgeleerden, die dikwijls met strikvragen bij Hem kwamen om Hem te verzoeken. Hij kon zich ontzettend opwinden over het ongeloof van degenen van wie verwacht mocht worden dat ze het Woord van God kenden. Juist de godsdienstige Joden in de dagen van de Here Jezus krijgen er van Hem van langs. Ze stonden met de Bijbel in de hand, hadden misschien jarenlang gestudeerd, konden de Bijbel van voor naar achter opzeggen, maar ze geloofden het Woord niet.
Ze hadden de mond vol over God, maar als ze God echt zouden liefhebben, zouden ze de Here Jezus ook liefhebben. Dan zouden ze de Woorden die de Here Jezus sprak herkennen, maar dat was helaas niet zo.

Joh. 8
37 Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats.
38 Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; gij doet dan ook, wat gij bij uw vader gezien hebt.
39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.
40 Maar nu zoekt gij Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.
41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God.
42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
43 Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen.
44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
45 Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet.
46 Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?
47 Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt.

De woorden die dus aan het eind van Ps.139 staan, zijn niet zozeer gericht tegen mensen die niks van de Bijbel willen weten, maar juist tegen de mensen die de Bijbel kennen, maar het niet geloven. In de dagen van de Here Jezus waren dat de joden.
Het leven van de Here Jezus was een leven vanuit het Woord van God, een leven van standhouden en verdragen van de tegensprekers.

Hebr.12:
1 Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.
3 Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.

Hier wordt de Here Jezus ons tot voorbeeld gesteld, Hij heeft de loopbaan gelopen, Hij heeft standgehouden, niet tegengesproken, maar alles verdragen. U kent de volgende bekende woorden vast wel.

Jes 53
1 Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
2 Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
3 Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
4 Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
7 Als dezelve geeist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
8 Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
9 En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
10 Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.
11 Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

Toen de Heer als een schaap ter slachting werd geleid, deed Hij zijn mond niet open. Iedereen veroordeelde Hem onterecht, Hij werd geschopt, geslagen en bespuwt. Hij is gehoorzaam de weg gegaan, Hij heeft volledig zijn vertrouwen gesteld op God, dat Hij recht zal doen. Hij heeft geweten dat dit de weg was die Hij moest gaan, om dwars door de dood heen heerlijkheid te ontvangen.
Wat denkt u dat Hij gedacht heeft in de momenten voor zijn kruisiging.
Ik denk het volgende:
1 Gij doorgrondt en kent mij.
2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! Gij weet het alles.
5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
6 De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

Categorie: 
Drupal Theme by Web Agency